Bloedonderzoek bloedgroep, rhesusfactor en irregulaire antistoffen

Bij elke zwangere vrouw wordt aan het begin van de zwangerschap bloedonderzoek gedaan. Zo wordt onder andere bepaald:

  • de bloedgroep;
  • de rhesusfactor D en C;
  • de aanwezigheid van irregulaire (afwijkende) antistoffen..

Afdeling

U kunt hiervoor terecht bij

Meer over

De bloedgroep

Bloedgroepen zijn eiwitten die zich aan de buitenkant van de rode bloedcellen bevinden. Er bestaan meer dan 200 soorten bloedgroepen. De meest bekende is de ‘gewone’ bloedgroep: A, B, AB of O (spreek uit nul). Het is belangrijk uw bloedgroep te weten als u bijvoorbeeld na de bevalling een bloedtransfusie nodig hebt of als uw kind na de bevalling ernstig geel wordt als gevolg van bloedafbraak.

De rhesus D bloedgroep

De rhesusfactor is een andere soort bloedgroep (D). Bij alle zwangere vrouwen wordt de rhesusfactor bepaald. Verloskundigen of artsen laten bijna altijd de letter D weg als zij over de rhesusfactor spreken. Is een zwangere rhesus-positief is, dan bedoelen zij eigenlijk dat de zwangere rhesus-D positief is. Van alle zwangeren is 85% rhesuspositief. Er zijn dan geen gevolgen voor de zwangerschap. Bij 15% is de rhesusfactor negatief. Omdat dit gevolgen voor het kind kan hebben, is extra bloedonderzoek rond 27 weken en na de bevalling nodig.

Rhesus c bloedgroep

Ongeveer 18% van alle zwangere heeft bloedgroep Rhesus c negatief. Soms maken vrouwen met deze bloedgroep Rhesus c antistoffen tegen het bloed van de baby als deze bloedgroep Rhesus c positief heeft. Deze antistoffen kunnen bloedarmoede bij de baby veroorzaken. Zwangere met bloedgroep Rhesus c negatief krijgen daarom in week 27 van de zwangerschap bloedonderzoek op antistoffen tegen Rhesus c. Als het laboratorium Rhesus c antistoffen vindt, wordt verder onderzoek gedaan. U krijgt hierover dan meer informatie van uw verloskundig hulpverlener.

Irregulaire antistoffen

Irregulaire antistoffen zijn normaal niet in het bloed aanwezig. Het zijn afweerstoffen tegen andere bloedgroepen dan A en B. Ze kunnen ontstaan na een bloedtransfusie of na een zwangerschap.
Soms hebben zwangeren afwijkende antistoffen zonder duidelijke oorzaak. Als u dit niet heeft, dan zijn geen extra maatregelen nodig. Heeft u wel irregulaire antistoffen, dan is meer onderzoek en soms extra controle gewenst.

Onderzoek

De verloskundige vertelt u eerst waar bij u bloed wordt afgenomen. Meestal is dit in de arm. De medewerker maakt de afnameplaats op het lichaam van tevoren schoon met een desinfecterend gaasje. U krijgt een elastische band (stuwband) om de bovenarm. Dit maakt het gemakkelijker om de ader te vinden. Afhankelijk van het onderzoek worden 1 of meerdere buisjes met bloed gevuld. Na het onderzoek wordt er een pleister op het wondje geplakt.

Na onderzoek

U krijgt de uitslag van uw verloskundige of gynaecoloog.

De rhesusfactor D

  • Bent u rhesus D positief, dan is er verder niets aan de hand tijdens de zwangerschap.
  • Bent u rhesus D negatief, dan onderzoekt de verloskundige of arts in het begin van de zwangerschap en bij 27 weken of u antistoffen hebt tegen de rhesusfactor. In hetzelfde bloed bepaalt het laboratorium ook de Rhesus D bloedgroep van uw kind.
  • Als uw kind bloedgroep Rhesus D negatief heeft, hoeft u verder niet meer gecontroleerd te worden op Rhesus D antistoffen. Als uw kind bloedgroep Rhesus D positief heeft, krijgt u in week 30 van de zwangerschap een injectie met anti Rhesus D antistoffen.

De rhesusfactor c

  • Zwangere met bloedgroep Rhesus c negatief krijgen in week 27 van de zwangerschap bloedonderzoek op antistoffen tegen Rhesus c. Als het laboratorium Rhesus c antistoffen vindt, wordt verder onderzoek gedaan.
  • Ook na een auto-ongeluk of een schop tegen uw buik tijdens de zwangerschap is zo’n injectie verstandig. Als uw kind rhesus-positief is, krijgt u na de bevalling (mogelijk nogmaals) zo’n injectie. U kunt gewoon bij de verloskundige of huisarts onder controle blijven en thuis bevallen als u dat wilt.
  • Heeft u wel antistoffen (wat bij ongeveer 200 zwangeren per jaar voorkomt), dan wordt bloed van de vader van het kind onderzocht. Als dat nodig is, controleert de arts de gezondheid van de baby nauwkeurig en geeft u verdere informatie.

Irregulaire antistoffen

  • Als irregulaire antistoffen bij u aanwezig zijn, onderzoekt de arts meestal het bloed van de vader van uw kind om te kijken of deze antistoffen gevolgen kunnen hebben voor het kind.
  • Als uw partner misschien niet de vader is van uw kind, vertel dit dan aan uw verloskundige of arts.
  • Soms is bij afwijkende antistoffen extra onderzoek en controle gewenst, in andere gevallen is dat niet nodig. De verloskundige of de arts vertelt dit aan u.

Contact

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken? Neem dan contact op met de afdeling Verloskunde via 036 868 8700.